Wat?

 

De tong (Solea solea) is een bruingevlekte platvis.

 

Oorsprong :

 

Tong heeft een voorkeur voor relatief ondiep water met een zand- of modderbodem. De tong komt voor in het water van de oostelijke Atlantische Oceaan van Zuid-Noorwegen tot aan Senegal en vrijwel de gehele Middellandse Zee. In de winter trekt de tong zich terug naar het iets warmere water in de zuidelijke Noordzee.

 

Kenmerken :

 

De tong dankt zijn naam aan de ovaalronde vorm. Zijn kleine oogjes staan dicht bij elkaar aan de rechterzijde van het lichaam. Dat geeft de vis de mogelijkheid om half ingegraven in het zand op een voorbijzwemmende prooi te loeren. De tong wordt net als alle andere platvissen geboren als een 'gewone' vis met een oog aan beide zijden van het lichaam. De jonge tong ondergaat echter al snel -als hij net iets groter is dan 1 cm- een metamorfose tot platvis. Een tong kan maximaal ongeveer 70 cm lang worden. Behalve aan de typerende lichaamsvorm kan de tong ook gemakkelijk herkend worden aan de tastdraadjes die zich onder aan de bek bevinden. De tastdraadjes worden gebruikt voor het opzoeken van voedsel: vooral wormen, maar ook kreeftachtigen en schaaldieren. De kleinste tong wordt aangeduid met de naam 'sliptong' (en dus niet 'slibtong'). 'Slip' is vermoedelijk etymologisch verwant met de werkwoorden slippen of slepen. Een sliptong is zo klein dat hij gemakkelijk door de mazen van het net slipt; sliptongen worden gevangen met een sleepnet.